Zuid-Kennemerland

Vogels op de tuin

Vogels op de tuin 
Afgelopen winter waren er steeds de merels: de hele winter hoorde ik ze geïrriteerd schetteren als ik aan kwam fietsen: ‘Daar komt ze weer, jongens wegwezen!’ Ik dacht, wat leuk, ze zitten altijd juist op mijn tuin. En ze kennen me, ze weten dat ik naar mijn tuin ga. Pas later dacht ik aan de mispels, die ik in de herfst onder de boom had laten liggen. Daar hebben ze de hele winter vermoedelijk plezier van gehad. 
Niet alle vogels vliegen weg als ik op de tuin kom, de roodborst komt me vaak juist opzoeken. Vooral als ik met de composthoop bezig ben komt hij razendsnel aanvliegen en zit binnen de kortste keren in de omgewoelde hoop te pikken. En vliegt weer weg als ik de kas in loop. 
In de vlier zit elk voorjaar een koolmees duidelijk te maken dat dit zijn boom, zijn nestkastje en zijn tuin is. Met hem en de andere mezen op de tuin heb ik een samenwerkingsovereenkomst: ik lever huisvesting en zij ruimen de plaagdieren op. 
De tuin is niet alleen van mij om mee te spelen, realiseer ik me soms, maar voor andere wezens is het de plek waarmee ze verbonden zijn en waarzonder ze niet kunnen bestaan. 
De vreemdste ervaring met een vogel had ik ooit een keer toen ik onder de kweepeer stond. Ik hoorde iets ritselen en daar zat een ekster, vlak boven mijn hoofd op een tak tussen het gebladerte. Hij keek me indringend aan en even had ik het gevoel dat hij tegen me zou beginnen te praten. Toen realiseerde ik me dat hij vond dat ik een indringer was in zijn territorium en dat ik dus weg moest. Hij zag er erg sterk uit en het leek me het beste om hem zijn zin te geven. Ik deed een paar stappen achteruit. Hij bleef nog een tijdje rustig zitten. Pas toen ik me had omgedraaid vloog hij weg. Ik heb hem nooit meer van zo dichtbij gezien, maar ik vind wel elk jaar leeggegeten eitjes van kleine zangvogels…

Marian van der Horst